“De dagen werden korter en de nachten langer, de donkere dagen voor Kerstmis braken aan. Ik schaamde me voor kerst. Ik wilde niet dat Hij zou zien wat ervan geworden was. Wat zou Hij zeggen of doen, als Hij zag hoe zijn verjaardag tegenwoordig wordt gevierd? Het geld, het eten, de steeds duurdere cadeaus, de dronkenschap, de nèt iets te intieme zoenen aan het einde van de kerstborrel op het werk, het eenmaal per jaar lief-en-aardig-doen, dat vaak niet meer was dan een uitstel van vijandelijkheden.  (…)”

Kerstdiner. Kerstkransjes. Kerstgala. Kerstlichtjes. Kerststol. Kerstglitters. Kerstviering. Kerstgedachte. Kerstmarkt. Kerstborrel. Kerstkaarsen. Kerstboom. Kerstballen. Kerstmis. Kerstjeweetwelwat.
Misschien zit je er midden in. En geniet je ervan. Je hoort mij niet zeggen dat het niet mag, he? Maar ik? Het liefst zou ik weg rennen. En onlangs las ik een verhaal wat me raakte en me zo duidelijk maakte waarom ik ‘niet van kerst hou’.

“En nu was het bijna kerst. Ik moest er niet aan denken wat er zou gebeuren als de werkelijkheid tot Hem zou doordringen – wat er van dit ‘christelijke feest’ was geworden.
Ik weet ook wel dat Hij het sowieso al wist. Maar Hij gedroeg zich er niet naar. Boos of bedroefd of geamuseerd – Hij kon het allemaal worden door mensen of omstandigheden en op dezelfde spontane manier als anderen. Wat zou Hij doen, als Hij werd geconfronteerd met …. kerst?”

– Hij nam een snipperdag net voor kerst en ging naar de Dam in Amsterdam. –

“Ik had die dag geen moment rust. Ik haalde opgelucht adem, toen ik de voordeur hoorde opengaan. Hij was tenminste weer thuis. Toen zag ik Hem. In zijn ogen stond de dood te lezen; je voelde de pijn in zijn lichaam. Hij liep me volkomen voorbij. Ik zag zijn silhouet voor het raam staan: Hij staarde uit het raam, zijn armen gestrekt tegen het houten kozijn, zijn handen klemde Hij om het houtwerk. Zij hoofd liet Hij op één schouder zakken, alsof het gewicht ervan te groot was geworden om nog te dragen. Hij zei maar een paar woorden, maar ik denk niet dat ze tot mij gericht waren.
‘Wat had Ik nou nog méér moeten doen?

(…) De voordeur ging knerpend open en weer was het even stil. Ik wist dat het ‘mijn’ stilte was – een uitnodiging om alsnog met Hem mee te gaan. Ik ging níet met Hem mee, ik bleef waar ik was.”

“Tegen beter weten in deed ik mijn jas en handschoenen aan en ging de stad in om op de straat naar Hem te speuren. Ik zocht overal. Alles wat ik zag, leek op de een of andere manier met Hem te maken te hebben. Kerstliederen die werden gedraaid in de avondwinkels. ‘Geen wiegje als rustplaats’ dat uit twee enorme luidsprekers blerde bij de parochiekerk. In de kerk zelf was een clubje vrouwen bezig met de laatste details van een levensgrote kerststal achterin het gebouw. Het zag er goed uit. Hij zou het leuk gevonden hebben. Maar Hij was er niet.”

“Dizzy zat in een grote fauteuil aan één kant van de kamer. Ze zag er bijna aantrekkelijk uit in het schemerlicht. Rondom haar stond haar hele verzameling knuffelbeesten, zo opgesteld alsof ze stonden te kijken naar de persoon die vredig op de vloer voor haar stoel lag. Ik ging stilletjes naast het kleine zwakzinnige kind op de vloer zitten. Het leek alsof ze een nieuw soort waardigheid over zich had, een bijzondere fierheid die niets te maken had met ijdelheid. Ze streelde zachtjes het hoofd dat volkomen ontspannen op haar schoot lag. En zachtjes herhaalde ze, telkens weer: ‘Huil maar niet om kerst, huil maar niet om kerst.’

Durf jij je deze vraag te stellen: wat als Jezus zijn verjaardag met mij, met ons vierde. Hoe zou dat zijn? Maakt Hem dat verdrietig of ontspannen?
Ik wens je een kerst toe, met Jezus als gezelschap aan jullie tafel. 
Tekst uit: Het Kerstbezoek van Adrian Plass
Met goedkeuring van uitgeverij Merweboek
-tip: lees de hele novelle – het is zoooo de moeite waard